In de nasleep van de financiële crisis in 2008 was de boodschap van een lange stoet wereldleiders en toonaangevende economen glashelder. Om te voorkomen dat we in een recessie belanden moeten we de economie zo stimuleren dat we opnieuw sterke groeicijfers voorleggen. Die zijn immers broodnodig om onze welvaart in stand te houden. Al decennialang is de groei van het BBP hét streefdoel van regeringen over de hele wereld. Nochtans gaan steeds meer stemmen op die beweren dat we stilaan botsen op de grenzen van het groeimodel, zoals deze van Tim Jackson, professor Duurzame Ontwikkeling in Groot-Brittannië. In een interview met Jackson gaan we daar dieper op in.
Vrijdagavond woonde ik, in een bijzaal van de Brusselse Bozar, een rondetafelgesprek bij over de verantwoordelijkheid van technologiebedrijven in de strijd voor mensenrechten. Het werd georganiseerd door EMSOC, een onderzoeksgroep die academici van de Vrije Universiteit Brussel, UGent en KULeuven verenigt rond het onderwerp van user empowerment in een cultuur van sociale media. In mensentaal: rond de macht en de privacy waar u en ik nog over beschikken in deze wereld van nieuwe globale en sociale communicatietechnologieën, die de zeepbel van ons persoonlijk leven steeds verder binnendringen.
“Maar tot hij wat spullen in het Ermitage oppikte was aan Jens niet te zien geweest dat hij een glas gedronken had. Van vier glazen raakt natuurlijk alleen een hottentot van slag. Punt is gewoon dat Jens onwederroepelijk alcohol in zijn bloed moet hebben gehad. Weinig, maar niettegenstaande toch alcohol.
Waardoor mijn weergave van de feiten het autopsierapport tegensprak. Hoeveel nauwer konden mijn schoentjes nog worden?”
De nauwe schoentjes die Dimitri Verhulst beschrijft, horen toe aan Seynabou Diop. In Senegal is ze een tippelaarster, hoertje, of gazelle, om haar eigen verbloemende term te bezigen, van dertien in een dozijn. België kent haar als de straatmadelief die de tegenval kende de verkeerde persoon op het al even verkeerde moment te ontmoeten: wielerhalfgod Jens De Gendt, op 16 oktober 2009. Of, als we Verhulst’s literaire verbuiging van het ware leven tijdelijk achterwege laten: de twaalfde van diezelfde maand en Frank Vandenbroucke, het enfant terrible dat God niet was.
Brussel krijgt veel naar het hoofd geslingerd. Ze staat bij Vlamingen en Eurocraten geboekstaafd als een onaantrekkelijke stad, hoewel ze samen een niet onaardig aandeel van de bevolking uitmaken. Je krijgt dan van die clichés die intussen zo ingeburgerd zijn dat ze nog moeilijk uit het collectieve geheugen zijn uit te bannen. Dat de zinnekesstad is samengesteld uit een mishmash van lelijkheid, saaiheid en grijsheid. En vuiligheid. Denk aan Brussel, en spontaan doemen visioenen op van “uit teflon en beton opgetrokken gevoelloze karikaturen,” om Ingrid Lieten maar ‘ns te parafraseren. En dan hebben we het enkel nog maar over haar inwoners gehad. Nu goed, is dat wel terecht?
Gisteravond woonde ik de voorstelling bij van het boek “Hoe durven ze?” van de hand van Peter Mertens, voorzitter van de linkse Partij van de Arbeid of PVDA. Dit is de enige volwaardig Belgische partij die nog nationaal opereert en is communistisch geïnspireerd. Of, zoals vele leden en sympathisanten het liever horen: de enige werkelijk socialistische partij. Bij een bijeenkomst van zulke lieden stelt u zich misschien een marginale vergadering in een stoffig lokaaltje voor, waar geen vijf minuten kunnen voorbijgaan tot er een kreet à la “arbeiders, verenigt u!” en “voorwaartsch, kameraden!” de kamer vullen. Maar, al bleef de fond van deze kreten wel steeds onderhuids aanwezig, dit beeld blijkt verkeerd.



